Vossen Sprookje – Winter

door | 17 okt 2020 | Sprookjes

Een gure winternamiddag

Het was een gure winternamiddag. In het elvendal had het net gesneeuwd. “Klingelingeling”, klonk de trekbel van Repelsteeltjes huis. Snoet en Snuitje keken gespannen naar de deuropening. Ieder van hen had een paar vossenvlerkjes in de hand… helemaal aan flarden!

De deur ging langzaam open. Repelsteel stak zijn hoofd nieuwsgierig door de deuropening naar buiten. Hij bekeek de beteuterde gezichten van de twee vossenrekels en zei toen verbaasd: “Wat is er nou weer aan de hand?” Op dat moment zag hij de gescheurde vossenvlekjes en begon meteen te tieren: Wááát zie ik daar! Die vlerken! Helemaal kapot. En ik heb er nog zóóó hard aan gewerkt, nachtenlang. Wat hebben jullie er in hemelsnaam mee uitgespookt?”

Snuitje slikte wat weg en begon toen dapper uit te leggen: “Dat zjit zo, meneer Repelstjeel. Sjnoet wilde toch óóó zjo graag weer vliegen. Hij had er al dagenlang over gedroomd. Toen zjei ik troostend tegen hem: ‘nou vooruit dan maar.’ Maar ik was helemaal vergeten dat het mosveld waar wij, met onze vlerkjes aan, samen op wilden gaan dansen, helemaal ondergesneeuwd was. Sjnoet weesj toen spontaan een plekje aan bij de woudzjoom. Hier vlakbij uw huisj. Daar zijn we toen gaan dansjen. Maar, o o o, wat wasj het daar glad! Opeens gleden wij roetsj, roetsj, de helling af. Linea recta de hulsjtstruiken in. En zo kwam het dat onze vlerkjesj gesjcheurd zijn. Kijkt u maar…”

Snoet moest zo nodig óók een duit in het zakje doen. Op verontwaardigde toon vulde hij het relaas aan: “Ja, en dat is heus de schuld van die hulststruik waar wij tegenaan vlogen. Die had zúlke gemene stekelblaadjes. Kijkt u maar. Hier en hier en hier, en bij Snuitje, daar en daar en daar…” En terwijl Snoet één voor één de schrammetjes en bultjes op hun lichaam aanwees, begon Repelsteeltje te bulderen van het lachen:

“Haha, eigen schuld, dikke bult! Weet je wat jíj bent, Snoet? Een domme vos. Of nee, sterker nog, een uilskuiken! Wie gaat er nou op een besneeuwde helling dansen. Da’s vrágen om moeilijkheden. Nou, komen jullie maar binnen. Het is hier buiten veel te guur.”

Heerlijk appelgebak

Nou, dat lieten Snoet en Snuitje zich geen tweemaal zeggen. Huppelend van blijdschap volgden ze Repelsteeltje de huiskamer in. O, o, o, wat was het hier behaaglijk warm. De open haard knisperde knusjes. En vrolijk dansten daar de vlammetjes in op de houtblokken. Ja… en het rook in de kamer ook nog eens naar… appeltaart! Stilletjes, en met hun oortjes bedeesd achterover gedrukt  – want ze willen vooral niet voor ‘brutale rekels’ doorgaan –  staken ze hun vossensnuit in de richting van de oven waar de heerlijke geur vandaan kwam.

Daar stonden zij dan, met toegeknepen oogjes te genieten van de appelgebakaroma. Want vossen hadden het maar wat moeilijk deze strenge wintertijd. Ja, en de afgelopen dagen hadden Snoet en Snuitje zelfs niet voldoende besjes, appeltjes of muisjes bijeen kunnen scharrelen om zich fatsoenlijk te voeden.

Repelsteeltje hoorde hun vossenmaagjes rammelen van de honger. “Ach, ach, ach,” dacht hij meewarig bij zichzelf, “Wie weet, heeft dit vossenpaar dat verhaal over die mislukte danspartij wel uit de duim gezogen! Ja, beslist. Zó moet het gegaan zijn: Snoet en Snuitje hadden zóóóveel honger dat zij hun vossenvlerkjes  – hun kóstbaarste bezit nota bene – uit wanhoop kapot maakten. Hiermee dachten zij, vossenslim als zij zijn, hun bedelgedrag te kunnen maskeren om met die glijpartij-smoes bij mij aan te kunnen bellen.”

Als gulle gastheer nodigde Repelsteel de beide vossen aan tafel. Even later smikkelden ze alle drie van het appelgebak dat eigenlijk voor morgenavond bedoeld was. Want dan is het Oud-op-Nieuw! En op die dag zou zijn allerliefste vriendin, Rapunzel, bij hem op bezoek komen. Samen zouden zij dan éérst kokerellen om na de maaltijd gezellig te gaan ganzenborden totdat de koekoeksklok twaalfmaal sloeg.

“O, meneer Repelsteel, wat kan u toch lekkere appeltaarten bakken. Als ik ervan smul, lijkt het nét alsof ik aan het vliegen ben. Zóóó lekker is het.” En terwijl Repelsteel het compliment met een geamuseerde glimlach in ontvangst nam, legde Snuitje de gastheer fluisterend uit: “Snjoet werd gék van de honger. Doldwaas vatte hij toen het plan op om te gaan vliegen.” Repelsteel knikte begripvol: “Dat dacht ik zelf ook al. Welnu, jongelui, ik heb ondertussen een plannetje bedacht. Niet ík, maar júllie gaan die vossenvlerkjes repareren.

En hiervoor ga jullie nú leren stoppen, stikken en naaien. Kom maar mee naar boven. Daar is mijn naaikamer. En toevallig is het ook nog eens mijn logeerkamer. Want daar bevinden zich twee bedsteden. Zo kunnen jullie lekker bij mij overnachten om morgen… gezellig Oud-op-Nieuw te gaan meevieren met Rapunzel. Nou, wat denken jullie ervan?”

Aan het werk

De twee vosjes begonnen uitgelaten door de kamer te huppelen. Zó blij waren zij met deze uitnodiging. Even later zat ieder van hen keurig op een stoel in de naaikamer. Repelsteel gaf Snoet een haspel en zei: “Wikkel deze vlasdraad er voorzichtig omheen.” Hierna pakte hij een oefenlapje, frommelde die om een eivormige zeeschelp en liet Snuitje zien hoe hij het gat in het lapje met naald en draad kon stoppen.

Even later waren de vosjes ijverig aan het werk. Repelsteel gaf af en toe wat aanwijzingen en keek toen tevreden toe totdat hij opperde: “Gaan jullie maar vlijtig verder met werken. Dan ga ik in de keuken alvast gerstebrij met melk, boter en gedroogde pruimen maken. O ja, en ook nog met een citroenschilletje erin. Ja, ja, want dit recept heb ik afgelopen zomer per postduif ontvangen van een bevriende tovenaar die vér vér weg in het Reuzengebergte woont. Welnu, als ik klaar ben met koken, roep ik jullie vanuit het trappengat naar boven om gedrieën gezellig te gaan eten.”

Snuitje had algauw de slag te pakken. Neuriënd stopte hij het ene gaatje na het ander totdat hij Snoet hoorde kreunen en briezen: “Huuuu, ik kan dit priegelwerk niet aan. Die draad is vééél te dun. Kijk nou toch eens! De hele kluwen is in de war geraakt…. Ja, en dat is allemaal de schuld van al die knopen en klitten!” Snuitje keek verstoord op van zijn werk, bekeek de bende die zijn maat aan het maken was, en zei toen sussend: “Oh, oh, oh, wat ben jíj een stoethaspel! Weet je wat, Snoet, misschien kan jij maar beter naar beneden gaan. Daar kan je meneer Repelsteel vragen of hij een ander klusje voor je heeft. Ondertussen zal ík die kluwen wel voor jou ontwarren en netjes om de haspel winden.”

Raggen met een mooie volle pluimstaart

Trippel trappel, trippel trap, tripte Snoet treurig de trap af. In de keuken aangekomen bleef hij een tijd lang treuzelend voor het fornuis staan. Voorzichtig stak hij zijn spitse neus in de richting van de pruttelende pot en bleef toen de geuren die ervan af kwamen verzaligd opsnuiven… totdat Repelsteeltje de keuken binnenkwam: “Hé, Snoet, wat is er? Heb je er al zó gauw de brui aan gegeven dat hier de brij komt opsnuiven? Hahaha.” Verschrikt keek Snoet achterom en zei toen op verontschuldigende toon: “Oh, meneer Repelsteel, ik ben véél te stoer voor dat soort handwerk daarboven. Heeft u soms een klusje voor mij die waarmee ik uit de voeten kan?”

Repelsteeltje krabbelde aan zijn kruin. Hij bestudeerde Snoet van top tot teen totdat hij zijn vinger omhoog stak: “Ik weet het! Met je hánden ben je een kluns. En over die vóeten van jou heb ik je vaak genoeg zien struikelen. Maar je hebt wél een mooie, volle pluimstaart. Zie je die keukentrap daar in de hoek? Nou, neem die maar mee naar iedere hoek van de huiskamer. Klim erop en rag met jouw staart alle spinnenwebben weg die je er ziet hangen. En als je daar klaar bent, ga je vlijtig verder met raggen: op zolder en in de kelder. O, o, wat zal Rapunzel dan blij zijn als ze mijn huisje eindelijk eens spinnenwebben-vrij aantreft. Want zij moppert er altijd al over als ze bij mij langskomt.”

Aarzelend begon Snoet aan zijn karwei. Zodra hij bovenop de keukentrap stond, spitste hij zijn achterwerk en begon toen sierlijk met zijn pluimstaart heen en weer te zwaaien. En zo ragde hij de ene spinnenweb naar de ander weg. Alle hoekjes en gaatjes kwamen aan de beurt. Op een gegeven moment had hij er zóveel plezier in dat hij al raggend begon te zingen:

“Daar komen eens twee spinnetjes an
Kriebel krabbel, kriebel krab.
De een heet Piet en de andere Jan,
Kriebel krabbel, kriebel krab.
Pfft, weg is Piet. Pfft, weg is Jan.
Daar komen zij weer an.”

Geurvlaggen

Toen Snoet klaar was met raggen, keek hij tevreden rond: “Ziezo, dát doet niemand mij na! Kijk eens hoe spik en span het hier is. Ach, kon ik er maar mijn handtekening neerzetten. Ja, met een tekst erbij: ‘Deze kamer verdient een pluimpje dankzij Snoets meesterstaart’. Dan kan Rapunzel het lezen en mij een pluimpje geven. Of liever nog…, een lekker taartje als beloning!” En terwijl hij trots als een pauw de ene kamer na de andere inspecteerde kwam er plots een plannetje bij hem op: “Weet je wat. Ik mag dan wel geen handtekening neerkrabbelen. Maar ik kan wél stiekem overal mijn geurvlag aanbrengen. Jawel, in elke kamer die ik schoongemaakt heb!”

Zo gezegd, zo gedaan. Snoet spitste nogmaals zijn achterwerk. En stilletjes wreef het plekje bovenaan zijn staartbasis nu eens tegen een tafelpoot aan, dan weer tegen een dekenkist, en ten slotte tegen een meubelstuk die hij daar toevallig aantrof.
“Meneer Repelsteel, Snuitje, kom eens kijken hoe mooi spinnenraggenvrij iedere kamer er nu uit ziet!” riep Snoet toen langs het trappengat naar boven. Want hij begreep dat Repelsteeltje daarboven bezig was het werk van zijn makker te keuren.

Repelsteeltje en Snuitje kwamen nieuwgierig de trap af. En het z’n drieën liepen ze toen door alle kamers. Wat was Snuitje trots op zijn makker! Eindelijk had ie dus iets gevonden, waar hij wél goed in was.., totdat Snuitje de gastheer hoorde zeggen: “Snif, snif, snif, wat ruik ik toch? Het lijkt wel viooltjesgeur. Aha, dat brengt mij op een idee! Wil één van jullie buiten een tuiltje winterviooltjes gaan plukken? Dan kunnen wij er mooi een biedermeiertje van maken. Daarmee kunnen wij Rapunzel blij verrassen als zij hier morgenochtend aanbelt.

Bezaaid met twinkelende diamantjes

“Ík zal die bloemetjes wel plukken!” riep Snoet juichend uit waarop Snuitje er gauw achteraan zei: “En ík loop even mee naar buiten om Sjnoet uit te leggen waar hij die bosviooltjes kan vinden. Want, hem kennende, loopt hij er andersj stjraal aan voorbij.” Zodra de beide makkers buiten waren, fluisterde Snuitje bestraffend toe: “Sjnoet, foei toch! Wat heb je nóu weer gedaan. Als meneer Repelsjteel erachter komt wat jij in al die kamersj hebt uitgesjpookt, worden wij geheid het huis uitgejaagd. Want hij zal dan besjlist denken dat jij met die geurvlag van jou alle vossjemoertjesj uit de omgeving hierheen wil lokken. Jawel…, om zíjn huis over te nemen.”

Snoet begon meteen te snikken: “Whuaaah, ik doe ook noooit iets goed. Niemand houdt van mij.” Troostend legde Snuitje toen zijn arm over Snoets schouder: “Da’s niet waar, Snoet! Ík ben er nog. Kom op, ik zal je nu precies vertellen waar je die bleekblauwe bloemetjes kan vinden. Weet jij die holle weg nog, even verderop? Daar groeien die winterharde wondertjes in lange linten langs het pad.” En terwijl Snoet op weg ging om viooltjes te plukken, liep Snuitje gauw weer naar binnen om verder te gaan met stoppen en stikken.

Op oudejaarsdag liep Rapunzel het besneeuwde bospad af in de richting van Repelsteeltje’s huis. Het was windstil. Haar linkerarm stak door het hengsel van een biezenkorf gevuld met allerlei lekkers. En in haar rechterhand hield zij stevig haar staf van hazelaarhout vast. Op een gegeven moment gleed haar capuchon van d’r hoofd naar achteren. Zachtjes vielen toen wat sneeuwvlokken op haar mooie haardos. Maar voordat al die sterkristalletjes daar wegsmolten, bleven ze nog eventjes glinsteren in het honinglicht van de ondergaande zon. Zo leek het nét alsof Rapunzels haar bezaaid was met twinkelende diamantjes.

“Tingelingeling”, klonk de trekbel vrolijk. Zenuwachtig deed Repelsteeltje de deur open. Daar stond zij dan: de koningin van deze feestavond! “O, Rapunzel, wat ben ik blij dat je gekomen bent. Kom binnen en laat me je gauw uit jouw mooie mantel helpen. Och, och, och, wat ziet die er besneeuwd uit! Je bent onderweg toch niet uitgegleden?” vroeg hij bezorgd terwijl hij Rapunzels mantel en korf aannam. “Nee hoor. Ik heb twee sterke benen die mij ferm overeind houden. Maak je daar maar geen zorgen om. Maar oooh, wat ruikt het híer heerlijk naar viooltjes!”, zei ze terwijl ze de huiskamer binnenstapte. Rapunzel keek speurend om zich heen totdat haar oog viel op het tuiltje viooltjes dat daar, keurig samengebonden met een lila strik, op de zijtafel lag.

Repelsteel nam het biedermeiertje op en reikte het Rapunzel aan met een galant gebaar: “Dit is alvast voor jou. Als aandenken aan jouw bezoek hier.” Rapunzel nam het ruikertje aan en snoof eraan. “Hmm, dit zijn beslist geen maartse viooltjes. Want die ruiken sterker. Maar ze zijn wél mooi. O, dank je wel, Repelsteeltje. Leg het maar in mijn mandje, zodat ik het niet vergeet als ik naar huis toe ga.”

Nog een verrassing

“Ik heb nóg een verrassing voor jou… Snoet en Snuitje logeren hier op dit ogenblik. Zij hebben mij al die tijd ijverige geholpen met het voorbereiden van ons oudjaarsfeest.” En terwijl hij dit zei, begeleidde Repelsteeltje zijn eregast naar de keuken. Daar zat Snoet op een krukje ijverig boontjes te doppen. Terwijl het puntje van zijn tong langzaam over zijn witte bovenlip bewoog, zwiepte zijn pluimstaart  – jawel, vlak onder die fraaie schortstrik die Repelsteel hem op diens rug gebonden had – driftig heen en weer. Verlegen krabbelde de rekel overeind als hij Rapunzel voor hem zag staan. “Snoet heeft die viooltjes vanmiddag voor jou geplukt”, hoorde hij Repelsteelje uitleggen.

De rekel grijnsde van oor tot oor. “Oh, wat fijn dat jij Repelsteeltje zo vlijtig helpt. Maar waar is Snuitje?” vroeg Rapunzel toen. Repelsteeltje liep de trap op en zei al achterom kijkend: “Volg mij maar. Snuitje is in de naaikamer bezig de vossenvlerkjes aan het repareren. Want hij wil die samen met Snoet o zo graag aantrekken als we straks een menuet gaan dansen. Ja, ja, we zijn immers met ons vieren.”

Zodra ze in de naaikamer kwamen, stond Snuitje verschrikt op. Hij had rode ogen van het turen op zijn stopwerk. “Dag mevrouw Rapunzel”, mompelde bedremmeld terwijl zijn kopje omlaag hing om meteen daarop wanhopig uit te roepen: “O, meneer Repelsjteel, ik ben bang dat het vanavond niet meer gaat lukken. Het sjtoppen van de vlerkjes gaat veel te langzaam. Ik ben er nog niet zjo goed in, weet u. Oh, het sjpijt me zjo…, snik, snik.” Repelsteel liep naar Snuitje toe, pakte hem bij diens kin en hief het kopje omhoog zodat hij de snuiter recht in de ogen kon kijken: “Tuut, tuut, tuut, Snuitje, niet wanhopen. Weet je wat, laten Rapunzel en Snoet zo dadelijk in de keuken maar verder gaan met het bereiden van ons feestmaal, dan zal ík jou nu verder helpen met stoppen en stikken.”

Het feestmaal

Die avond aan tafel waren Snoet en Snuitje in een uitgelaten feeststemming. Alle vier vlerkjes waren op tijd klaar! En o, o, o, wat smulden ze van de poffertjes en de appelflappen. “Njam, jnam, jnam,” zei Snoet op een gegeven moment terwijl hij Rapunzel dankbaar aankeek. Ja, ja, want het was Rapunzel die als een keukenprinses de hele vooravond in de keuken de scepter had staan zwaaien, terwijl Repelsteeltje en Snuitje in de naaikamer noest bezig waren met het repareren van de vlerkjes. “Weet u, mevrouw Rapunzel, appelflappen zijn zóóó lekker dat het lijkt alsof ik vlieg als ik er een hapje van neem.” Lachend reageerde Repelsteeltje met de opmerking: “Inderdaad, onze vriend ziet ze algauw vliegen als hij iets leuk of lekker vindt.”

Rapunzel had in haar mand allerlei kaassoorten meegenomen. Die konden ze dan mooi oppeuzelen bij het ganzenborden. Verder had ze een paar potjes acaciahoning meegenomen uit haar provisiekast, een grote inmaakpot vossenbessen en een bundel ‘ezelsoren’. Jawel, want die ezelsoor-vormige salieblaadjes zijn uitstekend om het vette eten van deze avond te helpen verteren. Vandaar dat Rapunzel al haar kaasplankjes bekleedde met groene salieblaadjes voordat zij die opdiende.

Tussen de kaasjes in had ze een hoop walnoten rondgestrooid. En naast de kaasplankjes zette zij dipkommetjes neer met acaciahoning erin. En ook nog twee schoteltjes met vossenbessenjam. Daaroverheen had Rapunzel zelfs bosvioolblaadjes gestrooid. Jawel, van dezelfde soort als zij die bij aankomst gekregen had van Repelsteeltje. Maar deze blauwe blaadjes waren door haar eerst gekonfijt.

Na het ganzenborden, werden de tafel en stoelen aan de kant geschoven. Repelsteeltje wond met een slinger de speeldoos op… en opeens klonk toen de tingelmelodie van het Menuet de la Reine. Rapunzel maakte een reverence en nam daarop de uitgestoken hand van Repelsteel aan. Samen dansten zij toen op de maat van de muziek terwijl Snoet en Snuitje sierlijk om hen heen zwierden. Met hun vlerkjes op de rug. Maar omdat Repelsteeltje het fladdermechaniek nog niet zo gauw had kunnen repareren, hadden ze deze keer wél, heeel deftig, hun vossenhandschoentjes aan.

Middernacht

Op slag van twaalf slagen hief het viertal hun glazen, gevuld met gezoete anijsmelk, omhoog. Klaterend klonk toen het aanstoten van glas op glas. Repelsteeltje stelde zich op naast de knisperende open haard en zei op plechtige toon: “Speciaal voor deze avond heb ik een klinkdicht geschreven. Die wil ik jullie nú gaan voordragen” en na deze woorden stak hij meteen van wal:

Oud op nieuw

Een uilenroep galmt door het winterbos.
In de struiken lichten ogen op van knagers.
Vage wezens sluipen over pollen mos
op zoek naar spijs, alert voor jagers.

En net als in de knusse huizen
van het dal, slokt op deze woonstek
de tijd de uren op alsof het muizen
zijn, die verdwijnen in een uilenbek.

Bij het rijmen van deze regels
vallen vlokken op de dennenkegels
en wordt de grond een blanco blad…

totdat op slag van twaalf slagen het rad
van fortuin het sneeuwwit zal beginnen
vol te schrijven met lotgebonden zinnen.

Geschreven door: Thorwald Eklund

De foto’s zijn eigendom van de auteur